Vraagt kansengelijkheid niet juist om méér differentiatie in het onderwijs?

geplaatst: 13 maart 2019
contact: Marcia Joosen

De Onderwijsraad spreekt in zijn recent uitgebrachte Stand van educatief Nederland 2019 over "doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel". Leerlingen met verschillende achtergronden komen elkaar steeds minder tegen op school.

Het Nederlandse onderwijsstelsel kent veel overgangen en (vroege) selectiemomenten en het is vaak moeilijk voor leerlingen om van een eenmaal ingeslagen pad af te wijken. De raad vindt aanpassingen in het stelsel noodzakelijk om de maatschappelijke opdracht van het onderwijs waar te kunnen maken. Kansengelijkheid en de bijdrage van het onderwijs aan sociale samenhang zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Opvallend in het advies is dat er relatief beperkt aandacht is voor het aandeel van het primair onderwijs in deze opdracht. Hoewel er vele nuances zijn in het advies van de raad, lichten wij graag kort het vraagstuk van differentiatie uit.

Aanpassing van het stelsel is niet genoeg
SLO herkent de problemen die de raad schetst, maar kijkt graag breder naar mogelijke oplossingen. Het is de vraag of aanpassingen in het stelsel voldoende antwoord geven op de geconstateerde problemen. Ouders kiezen een school voor hun kinderen, en scholen maken keuzen voor huisvesting van onderwijsafdelingen, voor categorale klassen of dakpanklassen, voor een bepaald profiel of onderwijsconcept. Aanpassingen in het stelsel zorgen niet per se voor een verandering in de onderwijspraktijk, gezien die relatief grote keuzevrijheid voor scholen, leraren en ouders. In plaats van voorschrijvend te zijn op stelselniveau kan de overheid beter kiezen voor het stimuleren en faciliteren van ontwikkelingen en het creëren van regelruimte voor scholen. Een voorbeeld hiervan is de aanpak van het lopende programma Sterk beroepsonderwijs.

Optimale kansen komen ook voort uit het curriculum
Het curriculum is een belangrijk instrument om optimale kansen voor alle leerlingen te creëren. Het gaat dan om een breed onderwijsaanbod waarin naast taal- en rekenvaardigheid ook de ontwikkeling van burgerschap, en van vaardigheden zoals samenwerken, kritisch en creatief denken en loopbaancompetenties een belangrijke plaats hebben. Doorlopende lijnen in het landelijke curriculum binnen én tussen sectoren en schoolsoorten zijn daarbij noodzakelijk. Bij de herziening van de landelijke onderwijsdoelen die momenteel wordt voorbereid in het proces curriculum.nu is dit dan ook het uitgangspunt. Ook is winst te behalen door een praktijkgerichte component in het curriculum voor het hele voortgezet onderwijs toe te voegen, zoals de Onderwijsraad in zijn advies voorstelt. Deze aanpassing verkleint het verschil in waardering tussen algemeen vormend en beroepsgericht onderwijs. Zo'n component kan in elke schoolsoort op een bij het perspectief van de leerlingen passende manier worden ingevuld, en kan hen helpen bij de oriëntatie op vervolgstudie en loopbaan.

Differentiatie is een must
Het belang van de school als ontmoetingsplaats voor leerlingen met verschillende achtergronden en capaciteiten is onmiskenbaar. De school is een oefenplaats voor het omgaan met elkaar. Ook binnen het huidige stelsel kunnen scholen voor voortgezet onderwijs de leerlingen minder rigoureus scheiden. Het is belangrijk dat de overheid scholen stimuleert om hieraan te werken, met gebruikmaking van de vele goede voorbeelden die er al zijn. Tegelijkertijd betekent gelijke kansen bieden ervoor zorgen dat iedere leerling het best mogelijke onderwijs ontvangt, zoals de Onderwijsraad stelt. Daarvoor is onderwijs op maat noodzakelijk. Wil het onderwijs kunnen voldoen aan zijn maatschappelijke opdracht dan vraagt dat juist om méér differentiatie binnen de school en de klas.