Wat zijn de spanningsvelden in het vmbo?


De voorgeschiedenis van het vmbo laat een ontwikkeling zien van eindonderwijs gericht op arbeid tot een vorm van voortgezet onderwijs die voorbereidt op een vervolgopleiding. Hierin zijn twee spanningsvelden te zien, namelijk:

Breed oriënteren versus smal opleiden

De discussie over breed of smal opleiden werd vijftig jaar geleden al gevoerd en deze is nog steeds gaande. De wetgeving voor het vmbo beoogt dat leerlingen de mogelijkheid behouden om zich nog in veel verschillende richtingen te kunnen ontwikkelen. Daarom heeft het vmbo een algemeen karakter met nadruk op beroepsoriëntatie en niet op beroepsvoorbereiding. De keuze voor een beroepsgericht profiel is daarom ook niet bindend: het mbo stelt namelijk geen inhoudelijke instroomeisen. Tegelijkertijd zijn er onderwijsinstellingen die hun opleidingen doelbewust smal vormgeven, omdat dit inspeelt op behoeften van leerlingen, ouders en wensen van het werkveld. Wil jij op de hoogte zijn van de laatste actuele ontwikkelingen? Zie de Trendanalyse beroepsgerichte vakken.

Scheiding van cognitieve en praktische vaardigheden

In de 19e en eerste helft van de 20e eeuw weerspiegelde de scheiding tussen theorie en praktijk de arbeidsverdeling en de klassenverhoudingen. De hiërarchische scheiding tussen denkers en doeners was terug te zien in de verschillende onderwijstypen. Het onderscheid tussen hoofd en handen wordt nog altijd gebruikt, bijvoorbeeld in clichématige typeringen van vmbo-leerlingen als ‘praktisch ingesteld’. In de praktijk blijken mensen verschillende motorische, rationele en emotionele vermogens met elkaar te combineren en te verbinden, ongeacht hun intelligentie of opleidingsniveau.