Wat is de rol van het beroepsonderwijs in het pro en vso? Een historisch perspectief.



Het beroepsonderwijs bestaat al lang, hoewel de vorm en opzet door de eeuwen heen is veranderd.
Jarenlang viel het samen met arbeid. De bekendste vorm hiervan is het gildewezen. Dit verdween in de loop van de 18e eeuw. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw kreeg in Nederland het beroepsonderwijs, toen nog vakonderwijs geheten, als afzonderlijke institutie gestalte. Er werden diverse scholen opgezet voor leerlingen die tot dat moment geen mogelijkheid hadden om door te leren. Voorbeelden hiervan zijn de ambachtsscholen, waar werd opgeleid voor ambacht en nijverheid en de huishoudschool of kookschool, waarin vrouwen weren opgeleid voor een beroep als huishoudster, dienstbode, of voorbereid op een rol als huisvrouw.

Voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen werden in de 18e en de 19e eeuw ook scholen ingericht. Daar had de overheid geen bemoeienis mee. Er was sprake van particuliere initiatieven die vaak werden geïnitieerd door de kerk. Deze situatie duurde voort tot het midden van de 20e eeuw, toen in 1949 de wettelijke basis werd gelegd voor uiteenlopende typen speciaal onderwijs.

In 1968 werden met de invoering van de Mammoetwet veel onderwijsvormen ondergebracht in het lager beroepsonderwijs (lbo). Met deze wet werd het hele secundaire onderwijs in één stelsel ondergebracht. Vanuit het nieuwe ideaal van ‘gelijkheid van kansen’ voor kinderen uit verschillende sociale klassen werd getracht om de doorstroming tussen de verschillende onderwijstypen (lbo, mavo, havo, vwo, mbo) te bevorderen. Vanaf toen omvatte het lager beroepsonderwijs een scala aan opleidingen, zoals de lts (lagere technische school) en het lhno (lager huishoud- en nijverheidsonderwijs).

Het praktijkonderwijs (pro) en het voortgezet speciaal onderwijs (vso) zijn relatief jonge schooltypen. Het vso bestaat sinds 1985. Het is een vorm van onderwijs voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen die speciale onderwijszorg nodig hebben.
Het praktijkonderwijs, voor leerlingen die niet in staat zijn om een regulier vmbo-diploma te behalen, ontstond pas in 1998 bij de invoering van de leerwegen in het vmbo. Vanaf die tijd zijn er ook ontwikkelingen merkbaar waarbij beroepsonderwijs en/of praktijkgericht onderwijs als onderdeel van het curriculum op scholen voor praktijkonderwijs en vso wordt aangeboden.

Praktijkonderwijs

In 1998, toen de leerwegen in het vmbo werden ingevoerd, is het praktijkonderwijs ontstaan. Deze leerweg stond aanvankelijk bekend als de arbeidsmarktgerichte leerweg voor moeilijk lerende kinderen (vso-mlk). In 1998 werd deze naam vervangen door de term praktijkonderwijs, een leerweg die niet kwalificerend zou zijn, maar direct zou toeleiden tot de arbeidsmarkt. In het praktijkonderwijs werken leerlingen aan een toekomstperspectief: vrijetijdsbesteding, arbeid en voor sommigen: vervolgopleidingen. Leerlingen doen dat onder andere door een oriëntatie op sectoren, leren- en loopbaanbegeleiding en werknemersvaardigheden.

Voortgezet speciaal onderwijs

In 1967 trad een nieuwe wet in werking: scholen voor buitengewoon onderwijs kregen de mogelijkheid om afdelingen voor zeer jeugdige kinderen in te richten opdat vroegtijdige pedagogische en didactische hulp kon worden verleend aan in hun ontwikkeling bedreigde kleuters. Daarnaast bood deze wet de mogelijkheid tot het inrichten van voortgezet speciaal onderwijs, omdat veel kinderen en jeugdigen vanaf 12 à 13 jaar nog steeds behoefte hadden aan speciale onderwijszorg. In 1998 krijgt het (voortgezet) speciaal onderwijs een eigen wet, de Wet op de Expertisecentra (WEC), en daarmee werd de positie van het (voortgezet) speciaal onderwijs wettelijk vastgelegd.

Arbeidstoeleiding

Sinds 2013 is arbeidstoeleiding één van de wettelijke taken van het vso. Dit is geregeld in de wet Kwaliteit (voortgezet speciaal onderwijs). Vso-scholen worden geacht leerlingen die niet in staat zijn om een startkwalificatie te behalen toe te leiden naar een (duurzame) plek op de arbeidsmarkt. Deze leerlingen krijgen onderwijs in het uitstroomprofiel arbeidsmarkt en/of dagbesteding. Deze uitstroomprofielen kennen geen kwalificatieplicht. De nadruk van de beroepsgerichte vakken ligt voor deze uitstroomprofielen op de ontwikkeling van algemene beroepsvaardigheden. Vso-leerlingen die een vervolgopleiding doen, worden geplaatst in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs. De nadruk van beroepsgerichte vakken ligt voor deze leerlingen op inhouden en toetsen gerelateerd aan de profielen van het reguliere vmbo.