taal en rekenen

11 december 2019

Referentiekader: niveauopbouw en toetslijn

Door een kleine maar gestage vermindering van prestaties van leerlingen, gemeten over enkele decennia, was er rond 2007 maatschappelijke kritiek op de kwaliteit van het taal- en rekenonderwijs. De kritiek heeft ertoe geleid dat er in 2008 een systematische beschrijving is gekomen van wat leerlingen in opeenvolgende fasen van het onderwijs aan basisvaardigheden taal en rekenen moeten kennen en kunnen. In totaal voor vier ‘momenten’ in hun schoolloopbaan, van primair onderwijs tot uitstroom naar de arbeidsmarkt of instroom in het hoger onderwijs. Voor elk moment is in een doorlopende leerlijn aangegeven waaraan leerlingen op dat niveau minimaal zouden moeten voldoen. Die niveaus zijn de fundamentele niveaus (F) genoemd. Het niveau 2F is het algemeen maatschappelijk functioneel niveau, het niveau waaraan elke Nederlander zou moeten voldoen. Er zijn ook streefniveaus geformuleerd als uitdaging voor leerlingen die meer aan kunnen (S). Het geheel aan beschrijvingen wordt aangeduid met ‘het referentiekader’ en is vastgelegd in de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen die op 1 augustus 2010 van kracht is geworden. Opeenvolgende kabinetten zetten het beleid voor taal en rekenen kracht bij en werkten met steun van de Tweede Kamer aan een ambitieuze leercultuur.

De toewijzing van referentieniveaus door de overheid aan de verschillende sectoren van het onderwijs vindt je in onderstaand schema “Opbouw kader”.

toewijzing aan sectoren

Wet- en regelgeving

De wet "Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen" is op 1 augustus 2010 in werking getreden. Deze wet strekt zich over vrijwel alle onderwijssectoren uit en het beoogt (citaat):

  • “een goede zichtbaarheid van het niveau van beheersing van de Nederlandse taal en het rekenen voor zowel de leerling als de leraar en de school;
  • meer eenduidigheid in taal- en rekenonderwijs in de gehele onderwijskolom;
  • meer doelgericht taal- en rekenonderwijs door nauwkeurig omschreven doelen;
  • een betere overdracht van leerlingen tussen de verschillende onderwijssectoren door de introductie van een eenduidige en gemeenschappelijke taal;
  • het ontstaan van beter doorlopende leerlijnen voor taal en rekenen;
  • het (opnieuw) doordenken door scholen van de aanpak van taal en rekenen;
  • het verleggen van accenten binnen het huidige taal- en rekenonderwijs.

Het referentiekader vormt de basis voor lesmethoden, leermiddelen en toetsen/examens. Daardoor is het ook uitgangspunt bij het ontwerpen van taal- en rekenonderwijs binnen scholen en lerarenopleidingen."

contactpersoon taal

Roeland-Harms-6777

contactpersoon rekenen

Victor Schmidt